Polly
Zij is allesbehalve krachtig, niet bijzonder wendbaar en kan evenmin bogen op veel snelheid: de papegaai Polly Grey, die jaar en dag het embleem van het 322 Squadron siert.
Tussen alle tijgers, leeuwen, roofvogels en andere prominenten uit het dierenrijk die op emblemen van luchtmachteenheden prijken, lijkt de gevleugelde vriend van het 322 Squadron een wat grijzig buitenbeentje.
Ook de KLu heeft echter zijn tradities, en Polly Grey is er één van.
Voor een goed begrip van de geschiedenis van deze squadronmascotte moeten we terug naar de zomer van 1942. Een klein aantal Nederlandse jachtvliegers was toen als jachtvlieger actief in de RAF.
Zij waren op dat moment ingedeeld bij verschillende Britse squadrons die opereerden vanaf vliegvelden aan de Britse zuidkust. Al langere tijd waren er in Groot-Brittannië plannen die moesten leiden tot de oprichting van een Nederlands squadron binnen RAF Fighter Command.
Door de zware verliezen en het beperkte aantal Nederlandse jachtvliegers dat in 1942 dienstdeed in de RAF kon dit pas worden gerealiseerd in de zomer van 1943.
Uiteindelijk werden de ervaren Nederlandse jachtvliegers in het 167 Gold Coast Squadron ondergebracht. Deze eenheid werd vervolgens op 12 juni 1943 tot 322 (Dutch) Squadron omgedoopt. Ook toen zou het overigens nog geruime tijd duren voordat het aantal squadronleden met de Nederlandse nationaliteit de overhand kreeg.
Uiteraard moest het 322 Squadron worden voorzien van een passend embleem met bijbehorende embleemspreuk; daar was iedereen het wel over eens. Aanvankelijk werd een voorstel ingediend om het stadsschild van het in mei 1940 gebombardeerde Rotterdam als embleem van het squadron in te voeren, met daaronder de spreuk “Wij zullen vergelden”. Dit eerste voorstel werd evenwel om onbekende redenen afgewezen. Toen Pilot Officer Sluijter eind juli 1943 bij zijn terugkeer van verlof uit Londen een grijze roodstaartpapegaai meebracht, werd spoedig het idee geboren om een afbeelding van deze papegaai in het embleem te verwerken.
Over de embleemspreuk bleef vooralsnog echter een meningsverschil bestaan tussen de vliegers van het 322 Squadron en de autoriteiten in Londen. In Woodvale, waar de Nederlandse Spitfire-eenheid tot eind 1943 was gestationeerd, opteerde men voor de woorden “niet praten, maar schieten”. In opdracht van het Ministerie van Oorlog moest dit uiteindelijk worden gewijzigd in “niet praten, maar doen”. Na beoordeling door het College of Arms werden het embleem en de embleemspreuk op 4 maart 1945 door Koning George VI definitief goedgekeurd.
Polly I
De eigenzinnige Polly I sprak aanvankelijk geen mensentaal, maar hij kon fluiten als de beste. Met de meeste 322’ers had de vogel een haat-liefdeverhouding, doordat hij hen steevast in de vingers beet. Alleen met majoor Keith Kuhlmann, de tweede squadroncommandant van de Nederlandse eenheid, was de relatie opperbest.
Toen het squadron op dinsdag 16 november 1943 tijdelijk voor een schietcursus werd overgeplaatst, verhuisde ook Polly Grey mee — per vliegtuig wel te verstaan. De papegaai kon de vliegreis wel waarderen, aldus Flight Lieutenant Jan Plesman, die Polly overvloog. Plesman schreef over deze aparte vlucht het volgende in zijn dagboek:
Het squadron is vanochtend in formatie naar Llanbedr gevlogen. Ben zelf alleen overgekomen, omdat ik de papegaai over wilde vliegen. Was wel een aardig tripje; de papegaai zat in een kartonnen doos en praatte toen hij in het vliegtuig werd gezet. Het klonk reuze grappig.
De grijze roodstaartpapegaai maakte het nodige mee in de oorlogsperiode. Zo leerde hij jenever drinken en ging hij samen met een enigszins beschonken vlieger kopje-onder in een vijver. Ook wist hij eenmaal te ontsnappen, waarna de commandant van het Nederlandse Spitfire-squadron een geldelijke beloning uitloofde voor degene die de mascotte wist op te sporen. Na lang zoeken, waaraan de gehele grondstaf deelnam, kon de papegaai uiteindelijk weer worden ingerekend.
Toen het 322 Squadron begin januari 1945 werd overgeplaatst naar Zuid-Nederland, oordeelde men het beter om Polly Grey in Groot-Brittannië achter te laten, waar beter voor hem gezorgd kon worden. De nieuwe thuisbasis voor het 322 Squadron werd het pas bevrijde Woensdrecht, door sommige Britse vliegers ook wel omgedoopt tot het minder vleiende — maar beter uit te spreken — Wormshit. Was Woensdrecht voor militairen al geen droombestemming in de winter, voor een tropisch schepsel als Polly Grey waren dergelijke condities al helemaal uit den boze.
Polly II
De Nederlandse eenheid diende vervolgens de oorlog uit zonder mascotte. Ook ten tijde van de dekolonisatie van Nederlands-Indië bleef de Spitfire-eenheid tijdens de luchtacties boven Midden-Java in 1948 en 1949 vooralsnog verstoken van de gevederde steun en toeverlaat. Pas ter gelegenheid van de viering van het tienjarig bestaan van het 322 Squadron in 1953 gaf de toenmalige squadroncommandant, majoor Robbie Wijting, opdracht om een nieuwe Polly aan te schaffen.
Via het vogelpaviljoen van Artis werd voor 360 gulden een grijze roodstaart aangeschaft. Acht dagen liep Polly II rond in het huis van een van de vliegers van het squadron in Amsterdam. Niets kon nog misgaan, zo leek het — hoewel… Twee dagen voorafgaand aan de viering van het tweede lustrum sliep Polly wel erg lang uit. Toen bleek dat hij geheel verstijfd was en met de pootjes omhoog lag, werd het tijd om alarm te slaan en zo snel mogelijk op zoek te gaan naar een nieuwe soortgenoot: Polly III. Met kunst- en vliegwerk slaagde men daarin, waarna gelukkig alle festiviteiten op de toenmalige thuisbasis Soesterberg zonder problemen doorgang konden vinden.
Polly III
Ook in de naoorlogse periode ging de roodstaartpapegaai niet mee overzee. Toen het 322 Squadron vanaf de tweede helft van 1960 op Nieuw-Guinea werd gestationeerd, kreeg Polly geen toestemming om mee te gaan naar het tropische oord. Pas op 12 april 1965 — het 322 Squadron was inmiddels met de F-104 Starfighter het supersonische tijdperk binnengevlogen — werd de vogel weer met het squadron verenigd, ditmaal op de nieuwe thuisbasis Leeuwarden. In de tussentijd was Polly verzorgd door collega’s van het 325 Squadron.
Tot zijn tragische dood in 1971 beleefde Polly III een aantal opmerkelijke avonturen. Enkele malen was de mascotte op televisie te bewonderen en ook op Paleis Soestdijk was de grijze roodstaart een graag geziene gast. De papegaai van het 322 Squadron beleefde daarnaast ook minder plezierige momenten. Zo kwam hij in de nacht van 2 op 3 november 1967 in aanraking met de georganiseerde onderwereld, toen hij op misdadige wijze werd ontvoerd door leden van het 323 Squadron. Zijn plaats in de kooi bleek te zijn ingenomen door een levensgrote kraai. Het dagboek van het 322 Squadron geeft uitsluitsel over het verdere verloop van de gijzelneming:
322 moest nu dus in de rouw. De vlag ging halfstok; alle vliegers droegen een zwarte band en speldjes, foto’s en alles wat de afbeelding van onze ‘dierbare’ Polly droeg, werd afgedekt met zwart plakband. ’s Middags werd Squadron Commandant Diekman uitgenodigd met een witte vlag. Toen we, met een lange witte onderbroek in top, aankwamen, werden we door 323 opgewacht. De beide commandanten gingen even in conclaaf en er werd afgesproken dat 323 ’s avonds Polly zou terugbrengen.
Polly III wordt naar zijn laatste rustplaats gebracht.
Hoewel papegaaien zo’n 80 tot 100 jaar oud kunnen worden, was dit lot Polly III niet beschoren. Zijn heengaan in 1971 ging, zoals gezegd, met enige tragiek gepaard. Op maandag 15 november raakte de grijze roodstaart, die menigmaal buiten zijn kooi mocht vertoeven, beklemd tussen een naar achteren schuivende stoel en een degelijke rijkskast. Toen de op dat moment 19-jarige tropische vogel zijn laatste adem uitblies, had hij inmiddels de rang van sergeant der eerste klasse bereikt. De teraardebestelling ging onder meer vergezeld van het droppen van een krans door een Piper Super Cub. Ook brachten twee Phantoms van het 32nd Tactical Fighter Squadron van Vliegbasis Soesterberg een laatste groet.
Polly IV
Squadroncommandant Majoor Ton Krechting en Polly tonen trots het behaalde HAVO-diploma. Onder het motto ‘de koning is dood, leve de koning’ werd ogenblikkelijk een nieuwe Polly aangeschaft, die aanvankelijk als ‘soldaat-hulpvlieger’ door het leven ging. Langzaam maar zeker wist deze Polly IV zich echter op te werken en in 1983 slaagde hij zelfs voor zijn HAVO-diploma. Het certificaat werd in april van dat jaar uitgereikt in Ouwehands Dierenpark in Rhenen.
Daarbij moet worden aangetekend dat HAVO in dit geval niet stond voor Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs, maar voor Hogere Algemene Vogel Opleiding. Voorafgaand aan de diploma-uitreiking maakte de roodstaartpapegaai begin 1983 een vlucht mee in een F-16B. In een parkietenkooitje op schoot bij de achterste man hield Polly zich kranig, zij het dat hij bij het trekken van drie G wat scheef op zijn stokje zat. Het behalen van het HAVO-examen betekende tevens dat de weg vrij was om in de toekomst toe te treden tot het officierencorps van de Koninklijke Luchtmacht.
‘Old soldiers never die’ was echter evenmin van toepassing op Polly IV. Eind jaren tachtig overleed deze vogel.
Polly V
Sinds 21 oktober 1989 beschikt het 322 Squadron weer over een vijfde grijze roodstaart. Crisisbeheersingsoperaties zijn aan Polly V niet besteed; zij blijft namelijk bij uitzendingen van het squadron de thuisbasis Leeuwarden trouw. Hoewel het 322 Squadron tijdens luchtoperaties als Deny Flight, Deliberate Force, Allied Force, ISAF en recentelijk Jordanië (ATF-ME) een aardig nootje heeft gekraakt, klinkt deze afkorting haar nog immer enigszins vreemd in de oren.
Desalniettemin is de papegaai nog altijd de trouwe mascotte van het oudste squadron van de Koninklijke Luchtmacht, en het is te hopen dat dit nog lang zo mag blijven.